top of page
Zoeken

Krijgt een patiënt met sPAV echt nieuwe bloedvaten door training?

fysiotramper
16 sep
4 minuten om te lezen

“De arts zei dat ik door het trainen nieuwe bloedvaten krijg. Klopt dat eigenlijk?”


Het is een vraag die patiënten met symptomatisch perifeer arterieel vaatlijden (sPAV) regelmatig stellen. Het idee klinkt logisch: door te bewegen wordt de doorbloeding uitgedaagd en het lichaam zou vervolgens nieuwe bloedvaten aanmaken. Maar zo eenvoudig ligt het niet.


Bewegen en trainen hebben zeker een positief effect bij mensen met sPAV. Patiënten kunnen vaak langer lopen, ervaren minder beperkingen en verbeteren hun fysieke functioneren. De verklaring hiervoor is echter waarschijnlijk veel complexer dan alleen de vorming van nieuwe bloedvaten.


Nieuwe bloedvaten

De vorming van nieuwe bloedvaten vanuit bestaande bloedvaten noemen we angiogenese. Daarnaast kunnen bestaande verbindingen tussen bloedvaten, de zogenaamde collateralen, zich aanpassen.

Bij dieronderzoek zien we duidelijk aanwijzingen dat inspanning de ontwikkeling van nieuwe vaatverbindingen kan stimuleren. Bij mensen met sPAV is dit effect echter veel minder overtuigend aangetoond. Onderzoek laat niet consequent zien dat gesuperviseerde oefentherapie leidt tot een duidelijke toename van nieuwe bloedvaten of angiogene processen in de spieren.

De verbetering die patiënten ervaren, lijkt daarom vooral te maken te hebben met aanpassingen in de bloedvaten én in de spieren zelf.



Bloedvaten werken efficiënter

Een belangrijk onderdeel is de endotheelfunctie. Het endotheel is de binnenbekleding van onze bloedvaten en speelt een belangrijke rol bij het verwijden van bloedvaten.

Regelmatige aerobe inspanning kan de werking van het endotheel verbeteren. Tijdens inspanning neemt onder andere de productie van stikstofmonoxide (NO) toe. NO helpt de bloedvaten ontspannen en verwijden, waardoor de bloedstroom kan verbeteren.

Training zorgt dus niet noodzakelijk voor een compleet nieuw netwerk van bloedvaten, maar kan er wel voor zorgen dat het bestaande vaatstelsel beter functioneert.



Spieren werken efficienter

Misschien nog belangrijker zijn de veranderingen die plaatsvinden in de spieren.

Bij mensen met sPAV kunnen de spieren minder efficiënt omgaan met zuurstof. Er kunnen veranderingen optreden in de mitochondriën – de onderdelen van de spiercel die verantwoordelijk zijn voor de energieproductie. Ook kunnen tijdens inspanning sneller afvalstoffen ontstaan.

Door regelmatig te trainen passen de spieren zich aan. De mitochondriën kunnen efficiënter gaan functioneren en de spieren worden beter in het benutten van de beschikbare zuurstof.

Het resultaat? De patiënt kan langer lopen voordat de klachten optreden.

En dat is een belangrijk verschil: de patiënt hoeft niet per se méér bloedtoevoer te hebben om toch beter te kunnen functioneren.



Spierweefsel veranderd

Training heeft daarnaast invloed op de opbouw en kwaliteit van de spieren.

Bij sPAV kunnen de kuitspieren bijvoorbeeld relatief veel vet bevatten en minder spierweefsel hebben dat geschikt is voor langdurige inspanning. Door training kan de spierstructuur verbeteren en kan de spier sterker en efficiënter worden.

Zowel wandelen als krachttraining kan hierbij helpen. Krachttraining heeft daarbij als voordeel dat het kan bijdragen aan het behouden of vergroten van de spiermassa.

Dit is vooral interessant voor patiënten die door hun klachten moeite hebben om langdurig te wandelen. Krachttraining kan dan een waardevolle aanvulling zijn op de behandeling.




Bloedeigenschappen veranderen

Niet alleen de bloedvaten en spieren passen zich aan. Ook bepaalde eigenschappen van het bloed kunnen verbeteren door training.

De viscositeit van het bloed – oftewel hoe stroperig het bloed is – kan afnemen. Daarnaast kunnen rode bloedcellen beter vervormen. Dat is belangrijk omdat rode bloedcellen zich door de kleinste bloedvaten moeten kunnen bewegen.

Deze veranderingen kunnen bijdragen aan een betere doorstroming in de kleine bloedvaten en daarmee aan een efficiënter zuurstoftransport naar de spieren.




Maar hoe zit het dan met trainen tot pijn?

Bij de klassieke looptraining voor sPAV wordt vaak getraind tot matige tot stevige pijn in de benen. Wanneer de patiënt stopt met lopen, herstelt de bloedtoevoer zich weer.

Tijdens dit proces ontstaat een afwisseling van ischemie en reperfusie: tijdelijk is er onvoldoende zuurstofaanvoer naar de spieren, waarna de doorbloeding bij het stoppen weer toeneemt.

Deze herhaalde belasting zorgt voor een bepaalde reactie in het spierweefsel. Daarbij worden verschillende ontstekings- en herstelprocessen geactiveerd.

Dat betekent echter niet dat trainen met zoveel mogelijk pijn altijd noodzakelijk is.

Ook andere trainingsvormen, zoals intervaltraining, krachttraining en vormen van training waarbij onder de pijngrens wordt gebleven, kunnen interessant zijn. Zeker bij patiënten die klassieke looptraining slecht verdragen of waarbij de klachten het trainen sterk beperken.


Dus: krijgt de patiënt nieuwe bloedvaten?

Soms wordt dit zo uitgelegd, maar de werkelijkheid is genuanceerder.

De verbetering door oefentherapie bij sPAV kan niet eenvoudig worden verklaard door de aanmaak van nieuwe bloedvaten. De huidige wetenschappelijke inzichten wijzen erop dat verschillende mechanismen tegelijkertijd een rol spelen:

  • verbetering van de vaatfunctie;

  • efficiënter functioneren van de spieren;

  • verbetering van de mitochondriale functie;

  • veranderingen in de spieropbouw;

  • verbeteringen in de eigenschappen van het bloed;

  • en aanpassingen aan herhaalde inspanning.


De belangrijkste boodschap voor de patiënt is daarom misschien wel:

Je traint niet alleen je bloedvaten, je traint vooral je hele systeem om efficiënter om te gaan met de beperkte bloedtoevoer.

En juist daardoor kan iemand met sPAV uiteindelijk verder en beter lopen.


Literatuur

Harwood AE, Smith GE, Cayton T, Broadbent E, Chetter IC, Ridley S. A systematic review of the evidence for exercise training in patients with intermittent claudication. Eur J Vasc Endovasc Surg. 2015;49(2):190-198.

Lane R, Harwood A, Watson L, Leng GC. Exercise for intermittent claudication. Cochrane Database Syst Rev. 2017 Dec 26;(12)

Treat-Jacobson D, McDermott MM, Bronas UG, Campia U, Collins TC, Criqui MH, Gardner AW, Hiatt WR, Regensteiner JG, Rich K. Optimal exercise programs for patients with peripheral artery disease: a scientific statement from the American Heart Association. Circulation. 2019;139(4):e10-e33.

 
 
 

Opmerkingen


bottom of page